Mijn eerste bijbaan was bij de Zeeman.
Ik was zestien en reed elke zaterdagochtend vroeg met mijn Puch naar de Voorstraat in Dordrecht.
Ik kwam daar binnen als een braaf, wat goedgelovig meisje.
Dat heus wel wist dat er gestolen werd, maar ik was in shock toen ik leerde op wie en wat ik extra moest letten:
dames van mijn oma’s leeftijd met rollators en/of grote tassen!
Het waren vooral grote ‘dingen’ die meegingen: de bedovertrekken enzo…
Ik was er echt stil van.
Mijn wereldbeeld moest ter plekke herschikt worden tussen de sokken en de kinderpyjama’s.
Nog iets wat ik leerde, was kleding vouwen.
Niet “ik leg dit shirt even netjes neer”, maar: vouwen volgens de methode van de filiaalmanager:
een oudere, strenge dame met een soort militair oog voor perfectie.
Als je stapel gevouwen onderbroeken wankelde, moest je doodleuk opnieuw beginnen.
Ik heb daar meer spierherinnering opgebouwd dan in de sportschool.
En de dozen… Grote kartonnen gevaartes die gescheurd moesten worden.
Er was een bot stanleymesje aanwezig maar die liet ik liever links liggen (ken uzelve).
Mijn vingers stonden geregeld in de fik, papercuts all over the place.
Ik kan nog steeds heel goed dozen scheuren.
Na een tijdje mocht ik kassa draaien.
Ik speelde als kind al winkeltje met de Fisherprice kassa (herinner je die nog?!),
maar in de praktijk van de jaren 80 bleek het mijn grootste struikelblok te zijn.
Voor de jonkies onder ons: pinnen deden we nog niet.
Je betaalde contant of met een betaalcheque.
Of met de creditcard, maar dat maakte ik niet mee bij Zeeman 😉
Mijn uitdaging was niet het kassasysteem an sich:
ik leerde snel de bedragen aanslaan zonder te kijken naar de toetsen.
Ik raakte niet in paniek als er een rij stond.
Ik wist feilloos waar de kortingsknop was als er een oranje sticker op een product was geplakt.
Het geld teruggeven moest je volgens de regels doen, dus je legde het geld wat je van de klant kreeg
op de kassarand en keek dan wat er teruggegeven moest worden – het bedrag stond keurig op het display
van de kassa vermeld. Dat telde je hardop in de hand van de klant. Konden er geen misverstanden ontstaan.
Het struikelblok was het ‘geld erbij vragen’.
Als de aankopen in totaal 16 gulden 75 kostte en iemand betaalde met 25 gulden,
moest ik vragen of ze er 1,75 bij hadden of 2 gulden, zodat je makkelijk 5 gulden kon geven.
Of 2,25. Want op klein geld moesten we namelijk zuinig zijn.
Dat bij-vraag-principe heb ik wekenlang niet gesnapt. Ik kreeg er kortsluiting van.
Thuis oefende ik eindeloos met mijn moeder.
Munten op tafel, een logisch bedrag erbij vragen (dat paste dus niet in mijn hoofd, dat ERBIJ)
en rustig blijven, niet rood worden.
Op een dag kon ik het, alsof het licht ging branden!
Benieuwd naar jouw eerste bijbaan of wanneer je het gevoel had dat het licht eindelijk aanging 😉